Breekbaar

Jaren aan een stuk heb ik gewerkt aan een speciale opslagplaats. Voor alles wat onbenoembaar was. Onuitspreekbaar. Ondeelbaar en daarom ondraaglijk.

Het was niet de bedoeling, die opslagplaats, het zat niet in mijn plan. Maar nood breekt wet, en er was al zoveel gebroken.

Maar ook de opslagplaats heeft zijn gebreken. Zijn gaatjes en zijn kieren. Zijn grillen. Zijn wil.

Ongemerkt sluipt er van alles naar buiten. Het maakt mijn woorden scherper. Mijn bedoelingen harder. Mijn zicht vertroebeld. Het vervormt en het maakt kapot.

Onverwoestbaar en verwoestend.

Maar het is dat of uiteenspatten. Dat, of alles waar ik me aan heb vastgehouden overboord gooien. Kiezen is verliezen. Wanneer mag ik eens winnen…?

Het maakt me bang, het maakt me klein. Het maakt me alleen.

Dat zat ook niet in mijn plan.

Maar het is niet mijn schuld. Niet! Mijn! Schuld! Als niemand mij zegt wat goed is, wat kan ik dan fout hebben gedaan?

Niets meer slikken, maar ook niet barsten. Misschien kan ik toelaten dat iemand mij helpt? Als het niet mijn schuld is, hoef ik dan ook niet alles in mijn eentje te dragen?

Niet alles in één keer, maar stap voor stap. Het ondeelbare delen. Het vormeloze vorm geven. Niet meteen in woorden, maar misschien in snikken en kreten, in beweging en ontmoeting.

Met een duwtje in de goede richting. Telkens opnieuw. Uitnodigend. Niet te zacht, niet te hard.

Want ik voel me nog breekbaar…

Misschien ook kostbaar…?

Of zelfs koesterbaar…?