Ik denk, dus (ik vergeet wie) ik ben

Ooit moet er een tijd geweest zijn dat ik nog niet kon denken.

Dat alles gewoon op me af kwam en ik er mee om ging. Zoals ik wou, zoals ik kon. Of zoals ik niet wou, of niet kon. In elk geval niet zoals ik ‘zou willen’, of ‘zou kunnen’, want die redenering kon ik nog niet maken. Er was geen andere mogelijkheid dan mezelf zijn. Wat waarschijnlijk soms ongelooflijk comfortabel was, en soms ongelooflijk pijnlijk. En alles tussen in.

Ik vertrouwde op mezelf, op mijn zijn en op mijn kunnen. Er was vanzelfsprekendheid, onbezonnenheid. Ik voelde me niet beperkt door mezelf, hoogstens door de realiteit, die me geregeld toonde wat ik nog niet kon. Maar dat belette me niet om te proberen.

Ooit komt er een dag dat ik het wel zal kunnen, zal ik wel gedacht hebben. Toen de mogelijkheid tot denken al een beetje begon mee te spelen.

En die dagen kwamen. Maar ook de dagen waarop ik geconfronteerd werd met mijn niet kunnen. Met het zien dat anderen wel kunnen. In plaats van het verlengde van mezelf te ontwikkelen, volgde ik het verlengde van mijn denken.

Niet de realiteit werd beperkt, wel mijn denken. Over wat niet lukte. Over wat hoorde. Over wat ik toch zou moeten kunnen. Hoe ik het best zou doen. In theorie.

En dat belette me om te proberen.

Het belet me nog soms om te proberen. Te vaak, zou mijn denken denken. Maar ik durf al, wil al, zou mijn gevoel voelen. Beiden hebben ze gelijk, en in theorie is de keuze vlug gemaakt. De praktijk toont soms iets anders.

Ergo sum, dus ik ben. Niet meer en niet minder, maar wel alles tussen in.

Denk ik