Wat ik wil

Vroeger zei men vaak over mij dat ik heel goed wist wat ik wilde. Of het nu als compliment bedoeld werd, of eerder een verwijt, het klopte niet helemaal. Ik wist vooral wat ik niet wilde.

In het begin was mijn wereld van willen en niet willen min of meer begrensd, maar met het opgroeien breidden de mogelijkheden zich steeds verder uit.

Onstuimig, zal waarschijnlijk het woord zijn dat het best omschrijft hoe ik van alles uitprobeerde. Vlug. En veel. En liefst allemaal tegelijk. Te intens voor het kleine meisje die ik toen was.

Dat wou ik niet meer voelen.

Dus ontwikkelde ik een plan: als ik vooraf al weet wat ik wil, dan hoef ik niet alles uit te proberen. Alzo ging ik niet meer op pad, maar dirigeerde ik van uit mijn hoofd, en zat ik steeds hoger op mijn alwetende troon.

Maar nu voelde ik niet meer, en dat wou ik ook niet.

Daarom ben ik terug op pad gegaan. Heel voorzichtig, de wonden van mijn vroegere trektochten waren niet verdwenen, alleen verstopt achter een laagje ‘doen alsof’.

Nu weet ik soms wat ik wil, en soms ook helemaal niet. Maar ik sta niet stil. En in de beweging van de ervaring voel ik wel of ik het wil, of niet.

En dat geeft rust. Geen vermijdende of controlerende rust, maar rust die me aanzet om mijn willen en niet willen verder vorm te geven.

En dat is wat ik wil.

Niet weten of het klopt, maar het voelen.